Landkaart voor het oog

Onder een blikveld wordt over het algemeen verstaan: de verzameling van alle mogelijke blikpunten; het gebied dat door middel van de oogbewegingen met het centrum van het netvlies kan worden overzien terwijl het hoofd stil wordt gehouden. Maar hoe ziet een blikveld er zelf uit, als je het zou visualiseren? Het blikveld van de mens gaat immers verder dan het concrete. Naast datgene wat we daadwerkelijk zien bestaat nog een hele wereld van interpretaties, gevoelens en gedachten die we met het blote oog niet waarnemen, maar die er wel degelijk toe doen.

 

Wie nu langs Kunsthuis SYB wandelt wordt geconfronteerd met zijn eigen blikveld. Heel even sta je oog in oog met jezelf en je muurvaste verwachtingspatroon. Een moment dwaalt je blik af, door de nauwe gangen, naar plekken die het blote oog nog maar net waar kan nemen. In de mysterieuze, lang uitgerekte, ruimtes zijn slechts opdoemend licht en de daarbij horende schaduwen zichtbaar.

Net als bij een landkaart helpt dit werk van Mathilde van Beekhuizen (Venray, 1974) je bij het vinden van de juiste route in een landschap. De ramen hebben hierbij een verbindende en bepalende factor. Een aantal van de vensters staat immers met elkaar in verbinding: de voor- en zijgevel van Kunsthuis SYB, leidend naar een ruitje van de rechter zijgevel van het voormalige snoephuisje, eindigend in de glazen nieuwbouw van de voormalige galerie van Sybren Hellinga. Op deze manier worden de afstanden in de binnenruimte van buitenaf op een speelse manier inzichtelijk en voelbaar. Door de ramen is ook een deel van de onderliggende constructie zichtbaar, die zich geheel laat zien bij binnenkomst. Zowel in grote, als in verkleinde versie. In de vorm van een miniatuur, maar dan zonder de aanwezige muren, waardoor de aandacht puur op het ontwerp zelf komt te liggen. Daarnaast zijn ook de losse onderdelen stuk voor stuk zichtbaar op een poster die aan de muur hangt.

Basis van het werk vormen in principe de vier gangen -je zou het ook een soort kokers kunnen noemen- waarvan de uiteinden tevens het beginpunt vormen voor de kijker buiten. Deze gedeelten zijn op de begrenzing van de ramen aangebracht, waardoor het effect van de ‘gang’ op een effectieve manier wordt benadrukt. Doordat de gedeelten elkaar min of meer kruisen ontstaan er interessante interventies in het beeld: de gangen worden onderbroken door zijruimten die weer leiden naar een andere gang waardoor er weer meer ruimte in je hoofd ontstaat. Dat weten we, niet zozeer omdat we dat met onze ogen kunnen zien, maar omdat we dat met ons gezonde verstand kunnen beredeneren. Aangezien door de overgebleven gedeeltes van de ramen ook delen van de constructie zichtbaar zijn zou je ook op basis daarvan een voorstelling kunnen maken van wat je werkelijk ziet, en waarom. Maar is dit echt de bedoeling? Doet het er echt toe wat echt is en wat niet? Het werk dwingt je op een vrij simpele manier na te denken over deze vraag. Wordt dit werk interessanter, of mooier als we weten hoe het in elkaar zit, naarmate we het beter ‘begrijpen’?

In het werk van Mathilde van Beekhuizen draait het wel vaker om dit spel met de objectieve werkelijkheid en de fantasie, en de rol die het menselijk zicht daarbij kan innemen. Zo bestond een werk dat ze eerder in 2007 maakte ‘Wieviel grösser ist mein Zimmer… (wenn der Boden ein Landschaft ist und der Tisch ein Haus?)’ uit twee identieke kamers waarvan de ene houten vloer precies past, maar waarvan die in de andere kamer door de te ruime maat als het ware naar boven schiet. Beiden kamers zijn op geheel eigen manier te betreden. Later, in 2009, bouwde ze een installatie die geïnspireerd was op een zeilreis naar Spitsbergen. Toen ze daar met een groep mensen ijsberen ging spotten met de verrekijker raakte ze gefascineerd door het gegeven dat mensen al roepen dat ze een ijsbeer zien op het moment dat er een klein puntje aan de horizon verschijnt. Wanneer zie je iets, of wanneer neem je dat aan omdat iemand anders dat zegt of omdat een hele groep mensen dat zegt? ’Observatorium’, het werk dat hieruit voort is gekomen, bestond uit een ruimte waar op de vloer gedeeltes van een parket zijn gelegd. Op de muren van de desolate ruimte stonden gedeelten van een dialoog van de ijsbeerspotters geschreven. Met verrekijkers werd de bezoeker uitgenodigd het gesprek dat op de muren geschreven stond te volgen en de zolder in al zijn details te observeren.

Wat ‘zien’ we werkelijk in Beetsterzwaag? Buiten is wat je ziet als je alleen je ogen gebruikt. Binnen is wat je ziet als je je hoofd erbij laat werken. Het schept een dynamisch beeld van de fragmentarische werkelijkheid. Een beeld dat je aan het denken zet over je eigen perceptie: over het verschil tussen kijken en zien en vooral over de keuze die je daar zelf in kunt hebben.

 

Deze recensie is verschenen in  januari 2011, in het kader van het recensentenprogramma 2010/2011 van Kunsthuis SYB.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>