Goddelijke precisie

Een Daan van Golden is, simpelweg, een Daan van Golden. Al in de jaren ’60, waar zijn carriere ooit begon, probeerde men het werk ternauwernood in een hokje te plaatsen. Ergens tussen fotorealisme, NUL en abstracte kunst. Maar aan eenduidige categoriseringen heeft nog nooit iemand zich gewaagd. In De Hallen in Haarlem is een klein overzicht te zien van 50 jaar Van Golden.

Daan van Golden 'relic' Courtesy Galerie Micheline Szwajcer

Daan van Golden 'relic' Courtesy Galerie Micheline Szwajcer

Je zou kunnen stellen dat Daan Van Golden (Rotterdam, 1936) inmiddels de godenstatus heeft bereikt. Onlangs won hij de Oeuvreprijs beeldende kunst van het Fonds BKVB. De jury noemde zijn concentratie ‘van bijna buitenaards niveau’. Je vreest bijna aan de schandpaal te worden genageld als je het in je hoofd haalt iets negatiefs over zijn werk te schrijven. Dat is bijzonder, voor een kunstenaar van wie het aantal geëxposeerde schilderijen eigenlijk bijna op een hand te tellen is. Maar misschien draagt dit juist bij aan de algehele bewondering. Bescheidenheid, eigenheid en boven alles: ultieme precisie. Daar draait het allemaal om. Van Golden fragmenteert de wereld om hem heen, tot in de puntjes. Zonder dat zijn ego er ook maar een moment aan te pas komt.

In zijn jonge jaren verdiende hij bij als modefotograaf, figurant in gangster films en als leraar Engels. Zijn schilderijen bestonden voornamelijk uit abstract-expressionistische voorstellingen in zwart-wit. Toen verhuisde hij naar Japan, waar hij in aanraking kwam met de Zen filosofie -in vrijwel iedere tekst over Van Golden opgebracht als hét grote moment van bezinning. Duidelijk is dat het hem geïnspireerd heeft tot iets nieuws: ingetogen, zeer precies vervaardigde schilderijen van triviale onderwerpen als een lullig zakdoekje of een stuk pakpapier van de HEMA. Het beroemdste voorbeeld hiervan is de ‘Compositie met Mokka Ruit’ uit 1964, die nu ook in De Hallen schittert. Opvallend is hierbij het gebruik van Japanse lakverf, die ervoor zorgt dat je helemaal geen toets meer ziet in de schildering.

Als fotograaf ontwikkelt Van Golden zich pas echt als in 1978 zijn dochter Diana  -“de enige rijkdom die hem kwetsbaar maakt” – geboren wordt. Tot haar achttiende maakt hij zo’n 450 foto’s van haar. Van hoe ze haar eerste bel blaast, of speels de handstand doet voor een van zijn schilderijen in een museum. Beelden die op een ontwapenende manier de grens aftasten van de toonbaarheid van intimiteit: ze vormen een intrigerend onderdeel van Van Goldens werk. Onder de titel ‘Youth is an art’, waren in 1997 in het Boijmans Van Beuningen ruim 100 van de foto’s te zien.

In De Hallen hangen geen foto’s, wel een bescheiden overzicht van de schilderijen die hij afgelopen 50 jaar produceerde. Een weelderig beest, verborgen in de spontane verfspatten van Jackson Pollock. Van Golden vangt ze, en vergroot ze zorgvuldig uit in rood en zwart, waardoor ze een soort mythische proporties lijken te krijgen (‘Study Pollock’, 1989 en 1991). Niet zozeer door hun afkomst, maar door de perfectionistische precisie waarmee Van Golden ze verbeeldt. Als een studie van de vergeten vormen. Zoals het silhouet van een Mozart medaillon (‘Mozart’, 2011) of lachende gezichten in de harten van viooltjes die hij vond in India (‘New Delhi’, 1991). Eigenlijk zijn ze allemaal even prachtig.

Door een solotentoonstelling te wijden aan Daan van Golden wil De Hallen laten zien op welke manier een jonge generatie kunstenaars hierop aansluit. Vandaar dat er gelijktijdig ook presentaties te zien zijn van Marijn van Kreij (1978) en Annesas Appel (1978). Hun liefde voor grafische patronen en het gebruik van herhaling als stijlmiddel zijn overeenkomstige eigenschappen in hun werk.

 

Deze recensie is verschenen in <H>ART #91

 

Leave a Reply

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>