De visuele antropologie van het fotoalbum

Als je een willekeurig persoon vraagt wat hij het eerst uit een brandend huis zou redden  krijg je negen van tien keer hetzelfde antwoord: mijn foto’s. Nog steeds behoren ze tot onze kostbaarste bezittingen. Erik Kessels (1966, Nederland), onder meer bekend van het succesvolle communicatieadviesbureau KesselsKramer, heeft in fotografiemuseum FOAM in Amsterdam een grote selectie gemaakt van foto’s uit familiealbums die hij jarenlang bij elkaar sprokkelde op rommelmarkten.

Untitled © Album Beauty

Untitled © Album Beauty

Toch is het een vreemd gezicht: al die foto’s die men nam van zijn naasten, geliefden en kinderen. Sommigen zijn pikant, anderen heel statisch. Doordrongen van persoonlijke geschiedenissen en verhalen. Ooit zijn ze waardeloos verklaard, en op een grote hoop terecht gekomen. Maar waarom eigenlijk? Worden ze misschien overschreeuwd door de sociale media, waar veel mensen tegenwoordig hun hele leven in de openbaarheid plaatsen? Of komt het door de digitale variant? Mensen kijken immers niet meer naar foto’s die ze lang geleden maakte, maar die ze een minuut geleden schoten. En dan het liefst zo snel mogelijk.

De invloed van de digitale fotografie gaat ver, heel ver. Fotoalbums alleen zijn het dan ook  niet geworden op de tentoonstelling ‘Album Beauty’. Ook hier hebben computerprogramma’s als Photoshop een belangrijke rol vervuld: een aantal van de foto’s zijn opgeblazen en hangen in gigantische proporties aan de muur, een serie van dames op leeftijd, elegant poserend voor een rozenstruik, zijn als museumposters in een rek geplaatst. Eigenlijk zijn zo’n beetje alle alternatieve manieren om een foto te presenteren gebruikt om de tentoonstelling zo interessant mogelijk te maken. Soms wat geforceerd, want de foto’s zelf moet uiteindelijk toch de boodschap uitdragen.

En wat laten deze zien? Een uniek en intiem kijkje in het dagelijks leven in een bepaald tijdperk. Een beeld wat vooral naar voren komt door de imperfectheid ervan, in plaats van de geposeerde schoonheid die het wellicht had moeten worden. We hebben hier immers niet met professionele fotografen van doen, maar met amateurs. Tastbaar of online, veertig jaar geleden of vandaag de dag, de foto van het eigen leven communiceert nog altijd dezelfde boodschap: het gaat goed met ons. De vorm is anders, maar de inhoud eigenlijk nog precies hetzelfde. Het fotoalbum blijft het ultieme podium voor zelfbevestiging en zelfrechtvaardiging.

Het zijn juist de imperfecte beelden die het interessant maken, stelt ook Kessels. Kijk maar naar speciale smartphone applicaties die het tegenwoordig mogelijk maken plaatjes te schieten die express ‘foutjes’ in de beelden verwerken. Eigenlijk zijn we dus gewoon weer terug bij af. Het is een wat simpele stelling van iemand die al jaren lang rommelmarkten afstruint voor foto’s uit oude, anonieme albums. Daar moet toch meer achter zitten dan alleen een voorliefde voor het imperfecte? Interessanter is de vraag waarom al deze mensen hun eigen visuele verleden hebben weggedaan. Een vraag waar nooit een antwoord op zal komen, maar die daarom juist een extra dimensie geeft aan een tijdperk waarin alles glad gestreken wordt en vervangbaar lijkt.

 

Deze recensie is verschenen in <H>ART, # 100

 

 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>